DEN HAAG/GOUDA - De rechtbank Den Haag heeft een 26-jarige man veroordeeld voor het doodsteken van zijn 29-jarige broer in Gouda. Dat gebeurde op 26 augustus 2025 in hun ouderlijk huis. De wijze waarop de verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht behoort qua geweld en gruwelijkheid tot een buitencategorie. De man krijgt een celstraf opgelegd van 6 jaar en tbs met dwangverpleging.


Feiten


Op 26 augustus 2025 kwam het slachtoffer bij zijn ouders langs. Zijn broer, de 26-jarige verdachte, was op dat moment ook in de woning in Gouda aanwezig. Nadat de ouders waren vertrokken, liep de verdachte naar beneden, naar de woonkamer. Hij zag daar zijn broer staan. Er ging toen een knop bij hem om, zo verklaarde hij later, en het werd zwart voor zijn ogen. De verdachte weet niet meer wat er vervolgens is gebeurd, maar heeft wel verklaard dat er iets van een vechtpartij heeft plaatsgevonden.

Het slachtoffer werd niet veel later levenloos gevonden door de politie in de gang van diezelfde woning. Hij had steekwonden over het hele lichaam en met name een zeer grote, diepe wond in de nek. Op het mes dat in de buurt van het slachtoffer lag, is het DNA van de verdachte en van het slachtoffer aangetroffen. Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat het slachtoffer is overleden na 33 steek- en 102 snijverwondingen en het daarbij ontstane bloedverlies en bloed in de longen.

De verdachte werd na het incident een aantal straten verderop door de politie bebloed aangetroffen.


Oordeel rechtbank


De rechtbank oordeelt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte handelde met voorbedachte raad. Daarom wordt hij vrijgesproken van moord. Wel wordt de verdachte veroordeeld voor doodslag. Hij heeft het slachtoffer opzettelijk om het leven gebracht door hem een groot aantal keer te steken met een mes. Daarmee heeft hij zijn broer het recht op leven ontnomen, het meest fundamentele recht. De verdachte heeft daarmee de nabestaanden, tevens zijn eigen familieleden, onherstelbaar leed aangedaan. Dit alles heeft in het ouderlijk huis plaatsgevonden, een plek waarbij de familie zich bij uitstek veilig en geborgen zou moeten voelen.

In het Pieter Baan Centrum is de verdachte onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Zij concluderen dat bij de verdachte sprake is van een waanstoornis en dat de wanen een religieuze kleuring hebben. De verdachte is ervan overtuigd dat hij alle verleidingen achter zich heeft gelaten, verlicht is en de waarheid spreekt, wat volgens hem door zijn omgeving niet wordt geaccepteerd. Het slachtoffer speelde een belangrijke rol in het waansysteem van de verdachte en werd door hem als bedreigend ervaren. De verdachte heeft geen afstand genomen van de denkbeelden, hetgeen volgens de deskundigen duidt op een floride psychotisch toestandsbeeld die ook aanwezig was tijdens het plegen van het bewezenverklaarde feit. Ook is er geen sprake van ziektebesef of -inzicht. De deskundigen adviseren dat het feit aan de verdachte ten minste sterk verminderd kan worden toegerekend.

De rechtbank volgt het advies van de deskundigen. De rechtbank merkt op dat de verdachte tijdens de zitting geen enkele vraag heeft beantwoord en geen inzage heeft gegeven in zijn beweegwereld. Hier staat tegenover dat de verdachte in afgeluisterde gesprekken met zijn familie aangeeft dat hij niks gaat zeggen over het strafbare feit en hij zijn zusje aanspoort om eveneens geen verklaring af te leggen. Dit wekt de indruk dat de verdachte in zekere mate berekenend omgaat met zijn procespositie. Alles afwegende ziet de rechtbank te weinig aanknopingspunten om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren, zoals de verdediging heeft bepleit. De rechtbank vindt een celstraf van 6 jaar en tbs met dwangverpleging passend en geboden.